Je telt de tegels
op weg naar school
en lacht wanneer
ik met je meetel:
honderddrieëntwintig, honderdvierentwintig,
honderdvijfentwintig,
tot de rand van de weg.
Het beton is
nee, zeg je, één tegel.
Misschien wel duizend tegels,
of nog meer
voor kleine voetjes,
of honderdduizend tegels
voor jou en voor mij.
Ik til je op en draag je,
voorzichtig,
alsof de weg hier breekbaar is,
naar de overkant.

Boem – daar sta je dan.
Nul tegels voor vandaag.

Peter Vanhoutte