Je geeft ze allemaal een naam,
de bomen in het bos,
alsof het mensen zijn
die je diep in je geheugen grift.

Je slaat je armen om hen heen
en luistert naar de wind
die door de blaren waait,
omdat het vrienden zijn
en je ze nooit vergeten wil.

Je vingers koesteren de groene bast
en kloppen op de schors.
De volle klank bewijst
dat deze boom vol leven zit.

Aan de rand van het bos
leunt
een boom tegen de hemel.
Een knoest buigt naar je over,
vermoeid van alsmaar recht te staan.
Je legt je oor tegen de stam
en hoort de pijn die gaten knaagt,
te groot om te bevatten.

Peter Vanhoutte