Op weg naar de volgende brandhaard
Donderdagmiddag. Miki is onderweg van zijn thuisgemeente Zubin Potok naar Gracanica, een Servische enclave die aanleunt tegen Pristina. Om zich geen moeilijkheden op de hals te halen rijdt hij in een wagen met Montenegrijnse nummerplaten. In Vushtri, Vucitern voor de Serviërs, een gemeente even voorbij Mitrovica, wordt hij tegengehouden door een patrouille van de Kosovaarse politie. Ze spreken hem aan in het Albanees, hij antwoordt in het Servisch, de enige taal die hij machtig is en tracht hen uit te leggen dat hij geen Albanees verstaat. De agenten reageren verstoord. Een van hen bukt zich en tracht een koperen orthodox kruisje dat aan de binnenspiegel hangt weg te rukken. In een reflex draait Miki de ruit dicht. Een van de andere agenten beukt daarop een gat in de voorruit en weet alsnog het kruis te bemachtigen. Hoe Miki weer thuisgeraakt is, herinnert hij zich niet goed, hij is opgelucht dat hij het er levend afgebracht heeft. Voorlopig zit reizen door de nieuwe staat die zijn vaderland zou moeten zijn, er niet meer in. Het is één van de vele verhalen van alledaagse waanzin in het nieuwe Kosovo.
Een deel van de internationale gemeenschap, aangestuurd door de VS, gelooft nog steeds dat de onafhankelijkheid van Kosovo de enig denkbare oplossing is. Na vier jaar gewerkt te hebben voor de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) aan Servische en Albanese kant, eerst in Belgrado, dan in Pristina en vervolgens in Mitrovica, kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat sommigen wel erg losjes omspringen met het afbakenen van nieuwe grenzen en territoria. Is, of beter was onafhankelijkheid nu echt de beste oplossing? Was het de enige oplossing? Vragen die de komende tijd meer gesteld zullen worden dan vandaag, en niet enkel door de Russen en de Serviërs.
De problemen op een rij
De internationale gemeenschap heeft, zeker sinds 2004, toen in maart een kortstondige opstand uitbrak in Kosovo, de idee van een onafhankelijk Kosovo zeer uitgesproken gepromoot, hoewel daar in Resolutie 1244 van de VN Veiligheidsraad die het VN-mandaat in Kosovo regelt geen sprake van is. Onafhankelijkheid is geen nieuw idee: tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerden de Kosovo-Albanezen overwegend met de Italianen die hen onderbrachten bij Albanië samen met andere Albanees sprekende gebieden in de regio. Het noorden van Kosovo bleef echter omwille van de mijnen onder Duits bestuur. Gewapende groepen Albanezen en Serviërs bestreden elkaar in die tijd te vuur en te zwaard. "[E]fforts should be made to get rid of the Serbian population in Kosovo and Metohija as soon as possible ... All indigenous Serbs should be declared as colonists and, with the help of the governments of Albania and Italy, should be sent to concentration camps in Albania. The Serbian settlers should be killed," zo verwoordde de Albanese fascistische President Mustafa Kruja de gevoelens van veel Albanezen in Juni 1942.
Het geweld en de aversie van de Serviërs hielden niet op met het einde van de oorlog. Kosovo keerde terug onder Servisch bestuur. Pristina was op het einde van de Tweede Wereldoorlog een stad zonder Albanese inwoners. Albanese gewapende groepen gaven de strijd niet op
Het zou tot 1954 duren voor Tito er eindelijk in slaagde om een modus vivendi te vinden met de rebellerende groepen in Kosovo. Hij beloofde amnestie in ruil voor het neerleggen van de wapens. De amnestie kwam er, maar ook een zware repressie, die de verzuchtingen naar onafhankelijkheid aan Albanese zijde enkel aanwakkerde. Om aan de Albanese verzuchtingen tegemoet te komen werd in 1964 het Joegoslavisch Fonds voor de ontwikkeling van de onderontwikkelde regio’s in Joegoslavië opgericht, een steunfonds om de armste regio in Joegoslavië bij te staan. Nog een trucje uit Tito’s toverdoos, was een gebiedsruil, waardoor de Presevo-vallei bij Servië werd gevoegd en een lap grond die grotendeels overeenkomt met het huidige (Servische) noorden van Kosovo overgeheveld werd naar Kosovo. Tito trachtte het probleem nog even definitief op te lossen. Hij stelde Enver Hoxha voor Kosovo bij Albanië te voegen, waarna het geheel als zevende republiek bij Joegoslavië zou worden ingelijfd. Hoxha wees het aanbod van de hand. Ten einde raad gaf Tito Kosovo, net als Vojvodina in het noorden van Servië, in 1974 een quasi onafhankelijkheid, op gelijk niveau met de andere Joegoslavische republieken. Het enige verschil was dat de autonome regio’s niet het recht hadden om zich af te scheiden. De Albanezen gebruikten het zelfbestuur als motor voor de volgende stap: die van de onafhankelijkheid.
Sinds het eenzijdig uitroepen van de onafhankelijkheid op 17 februari ll. Wordt Kosovo door steeds meer landen erkend. Weinigen zijn er zich echter van bewust hoe groot de rol van de Verenigde Staten als sturende kracht achter de onafhankelijkheid was. Het waren de VS die ook de onafhankelijkheidsverklaring opstelden en aan de basis lagen van de grondwet die binnenkort door het Kosovaars parlement wordt goedgekeurd.
1. de multi-etnische samenleving
Vooral sinds de rellen van maart 2004 benadrukte de internationale gemeenschap de idee van ‘Standaarden voor Status’. Kosovo diende in de eerste plaats te beantwoorden aan een reeks internationale standaarde, vooraleer kon worden gepraat over een nieuwe status. De droom van een multi-etnische samenleving stond daarbij hoog op de agenda. Het onafhankelijke Kosovo moest en zou een thuis bieden, niet alleen voor de meerderheid van Albanezen, maar ook voor de verschillende minderheden. Jammer genoeg bleek de idee van een multi-etnische samenleving, hoe lovenswaardig ook, van bij de aanvang in strijd met de gedachte om Kosovo als onafhankelijke staat te erkennen. De vraag naar onafhankelijkheid kwam immers niet van alle gemeenschappen, maar ging uit van één enkel etnische groep, en werd niet gedragen door alle gemeenschappen. Een woordvoerder van de Turkse gemeenschap verklaarde mij ooit “wij zullen uiteraard de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen, niet omdat wij er in geloven, maar omdat anders onze familieleden en onze have en goed worden bedreigd. Daarvoor passen we.”
De roep om onafhankelijkheid kadert in het aloude Duitse natiestaatmodel, waarbij een nieuwe staat erkend wordt op basis van de claim van één enkele etnische groep. Had men zich gebaseerd op het Franse model, gericht op een consensus tussen de gemeenschappen, in dit geval een consensus over het feit dat een eigen staat binnen de erkende territoriale grenzen van het bestaande Kosovo een toegevoegde waarde heeft, dan was er wellicht enige kans geweest op de creatie van een succesvolle multi-etnische natiestaat. Critici zullen meteen opwerpen dat zulks met de Servische minderheid in Kosovo onbegonnen werk is. Welnu, dat is precies de reden waarom een nieuwe natiestaat op multi-etnische basis van bij de aanvang dient te worden uitgesloten.
2. Het einde van de natiestaat
Kosovo is goed op weg om een nieuwe natiestaat te creëren, met alle parafernaliën die daarbij horen. Het hinkt daarbij ver achter op de realiteit. Is het teruggrijpen van een gebied naar het aloude concept van de natiestaat de enige wijze om straks via de voordeur de EU te kunnen binnentreden? Ook Montenegro gelooft rotsvast in het succes van deze aanpak, zozeer dat men er zelfs het Servisch voor omvormde in Montenegrijns. Het is een kostelijke aanpak, die voor al deze ministaatjes van bij de aanvang het ontwikkelen van een autonoom buitenlands en monetair beleid vergt, de uitbouw van een eigen defensie. Het is enkel dankzij de massale instroom van financiële hulp, niet enkel uit de EU, maar ook uit landen waar minder nauw wordt gekeken op de herkomst ervan.
Elders in Europa zien we net het omgekeerde gebeuren. Nog voor de EU is uitgegroeid tot een stevig gebetonneerd supranationaal vangnet, stellen steeds meer regio’s de oude natiestaat in vraag. Ze kiezen, en dat lijkt een onontkoombare natuurlijke evolutie in landen met een sterke economische stabiliteit, voor het benadrukken van de regionale belangen, het eigen buik eerst, en opteren voor meer autonomie of zelfs onafhankelijkheid. De Europese Unie staat wat dat betreft aan het begin van een lange lijdensweg: de regionalisten steken steeds vastbeslotener de kop op, in het Verenigd Koninkrijk, Italië, Spanje, Frankrijk, en ook in eigen land. Tot op de dag van vandaag heeft de EU gefaald om hier een adequaat antwoord op te verzinnen. Zoveel visie als er was bij de start van de Europese droom, en zelfs bij de eerste poging om tot een grondwet te komen, zoveel gebrek is er heden aan creatieve, inventieve antwoorden, waar het Europees vangnet het einde van de natiestaat weet op te vangen. Met de opdeling van Joegoslavië was het niet anders. Ook sommige EU-lidstaten, waaronder Duitsland, hebben zich gehaast om het uiteenvallen van Joegoslavië te bewerkstellingen, zonder op zijn minst te streven naar het behoud van een economisch samenwerkingsverband, omdat men ook na de dood van Tito een grote en wellicht moeilijke partner wanneer het op onderhandelen aankwam over een gemeenschappelijke toekomst, liever kwijt dan rijk was. Het opkomend nationalisme, waarvan het onafhankelijke Kosovo het meest recente voorbeeld is, maar wellicht niet het laatste, werd van harte gesteund om een snelle afbraak te bewerkstelligen.
3. de slachtoffers
Door de veelal eenzijdige berichtgeving zijn en worden de Albanezen in Kosovo tot op de dag van vandaag als de slachtoffers van het Servische nationalisme afgeschilderd. Daarbij hangt in ons geheugen nog steeds het beeld van de vluchtelingen en de getallen van slachtoffers die in 1999 circuleerden en deel uitmaakten van de oorlogspropaganda. In April 1999, verklaarde het US State Department dat 500.000 etnische Albanezen vermist warden en dat gevreesd werd voor hun dood. Een maand later, verkondigde US Defense Secretary William Cohen tijdens een televisie-interview dat zo’n 100.000 mannen in de leeftijdscategorie die in aanmerking komt voor militaire dienst, vermist waren. Hij sloot daarbij niet uit dat ze vermoord waren. Na het einde van de 78 dagen oorlog gaf de NAVO veel lagere schattingen vrij. Het aantal door Serviërs vermoorde Albanezen bedroeg volgens de alliantie 10.000. Vandaag de dag wordt aangenomen dat tussen de 10,000 en 12.000 etnische Albanezen en ongeveer 2.500 Serviërs werden omgebracht of als vermist werden opgegeven in de periode 1998-2000. De verhoudingen tussen de slachtoffers aan de ene kant en aan de andere kant ontlopen elkaar niet veel, wanneer je rekening houdt met de grootte van de Servische gemeenschap in Kosovo in die tijd, in vergelijking met de Albanese gemeenschap. De cijfers voor de andere gemeenschappen wijzen grosso modo ook op dezelfde verhoudingen.
Wie in Kosovo buiten Pristina gewerkt heeft, weet dat niet alleen Albanezen het slachtoffer zijn van het gruwelijke conflict eind jaren negentig. Haast iedereen, ongeacht de etnische herkomst kan gruwelverhalen opdissen uit deze periode over wat henzelf, hun kinderen of verwanten werd aangedaan. De lokale Serviërs, mannen, vrouwen en kinderen, waren daarbij in veel gevallen evenzeer slachtoffer als de etnisch Albanezen. Daarenboven is het geweld voor de Servische gemeenschap, die met uitzondering van het noorden van Kosovo, elders vrij geïsoleerd leeft, soms in enclaves van enkele tientallen huizen, niet opgehouden sinds het einde van de oorlog. Wie de gegevens van aanslagen aanvallen, gewonden en doden nauwgezet opvolgt, kan niet anders dan erkennen dat er zich tot vandaag een conflict afspeelt met lage intensiteit – een stevige aanslag met doden of zwaar gewonden tot gevolg gemiddeld eens in de twee weken, met pieken bijvoorbeeld in het voorjaar 2004 – dat haast exclusief gericht is tegen de Servische gemeenschap. Het behoeft dan ook geen betoog dat niet de Albanezen, maar de Servische gemeenschap zich vandaag het meest bedreigd voelen maar dit in de feiten ook zijn.
4. Een politiek van voldongen feiten
Met het uitroepen van de onafhankelijkheid voelt de Servische gemeenschap in Kosovo zich opnieuw gestraft voor het oorlogsverleden, waarmee ze moeizaam in het reine trachten te komen. Hoe moeilijk dit is, getuige het grote aantal zelfdodingen onder jonge Serviërs, ook in de periode 2006-2007 toen ik zelf in Mitrovica-noord werkte. Zij hadden niets meer om fier op te zijn, geen duidelijke identiteit, geen perspectief op werk, geen uitzicht op een toekomst waar ze hun zelfrespect konden terugwinnen.
De internationale diplomatie, aangestuurd door de Verenigde Staten, speelt een belangrijke rol in het Kosovo-conflict. Sinds het einde van de jaren ’90 heeft deze diplomatie een sterk conservatief, ja zelfs autoritair stempel gekregen. Onderhandelen, ooit de voornaamste krachtlijn van iedere diplomatie, heeft daarin plaats gemaakt voor revanchisme, het dwingend opleggen van simpele oplossingen voor complexe problemen, uitgaand van de filosofie dat straffen met de harde hand de enige wijze is om ongewenst gedrag te corrigeren.
Kort na het einde van de oorlog deed Servië wat de internationale gemeenschap van het land verwachtte: het rekende zelf af met zijn dictator, een eerste stap om ook met zijn verleden af te rekenen. Servië was en is tot op heden een geslagen hond, het heeft een hele reeks oorlogen op rij verloren en daar ook de tol voor betaald, in slachtoffers, vluchtelingen, prestige en economische achterstand. Nog steeds leeft in Brussel echter de zwartwitperceptie dat de Serviërs de slechteriken zijn en de Kroaten, Bosniaks en etnisch Albanezen de goeden. Wij verwachten van Servië dat het zich eindelijk en opnieuw plooit naar onze wensen en eisen. Hoever kun je een land drijven in de hoop dat het zich politiek correct opstelt? Dit jaar, 8 jaar na het einde van het conflict, wordt Kosovo definitief afgescheiden van Servië. Ik kan mij niet indenken dat we zoiets in 1953, acht jaar na het einde van de tweede wereldoorlog hadden kunnen verkopen aan aan Konrad Adenauer. Ook voor wie een oorlog wint is er een rode lijn: er is een grens aan de tolerantie bij de verliezer en de wijze waarop je telkens opnieuw de verliezer met de neus in het zand kunt drukken. Die grens is in het geval van Servië ruimschoots overschreden. Ook bij het bestraffen van de verliezer van een conflict geldt het principe uit het strafrecht: ‘non bis in idem’, wanneer je straft, doe het goed, doe het één keer, maar dat moet dan ook volstaan.
5. De verliezers
De Serviërs zijn vandaag de dag opnieuw de verliezers, nog altijd de verliezers. Wij blijven onze eisen stellen. Nog steeds wordt de toegang tot de EU ontzegd, zolang Mladic niet is uitgeleverd aan het internationaal oorlogstribunaal in Den Haag. Akkoord, hij is een van de kopstukken, zoals Milosevic eerder en zulks moet bestraft worden. Was het echter niet veel beter geweest Servië onvoorwaardelijk de EU binnen te leiden, waardoor Mladic vandaag ongetwijfeld al in Den Haag zou gezeten hebben, mede dankzij de Natasja Kandic-en in Servië? En hoe staat het met al die andere oorlogsmisdadigers? Wanneer ik er de getuigenissen van mensenrechtenorganisaties in de regio op nalees word ik er bepaald niet vrolijker van: mensen als Ceku, de voormalige Eerste Minister in Kosovo die een bijzonder bloedig oorlogsverleden heeft in Kroatië, maar ook de huidige Eerste Minister, Hashim Thaci, verdienen het om net als Mladic en Ramush Haradinaj – die andere voormalige Eerste Minister in Kosovo - naar Den Haag gestuurd te worden om daar minstens opheldering te geven over de oorlogsmisdaden waar zij mogelijks bij betrokken waren. Maar ook dat gaat de overwinnaars van de oorlog in 1999 te ver: de verliezers, dat zijn de slechteriken, die sleur je voor een oorlogstribunaal. De winnaars, zelfs als ze in de oorlog flink over de schreef zijn gegaan, dat zijn de goede moordenaars. Niet dat ze berouw hoeven te betonen, nee het volstaat dat ze aan de kant van de winnaar aanschuiven om hetzij vrijgesproken te worden, hetzij zelfs nooit in verdenking gesteld te worden. Waren hun vermoedelijke misdaden er minder om? Ik zal u niet toewensen wat sommige van hun slachtoffers blijkens getuigenverklaringen is aangedaan. Ook binnen het nieuwe Europa heffen wij het vingertje tegen sommige vermoedelijke oorlogsmisdadigers terwijl wij er geen graten in zien om met andere lieden uit dezelfde klasse aan tafel aan te schuiven.
Moet het ons dan verwonderen dat de Serviërs acht jaar na het einde van de oorlog enigszins ontdaan zijn en keuzes vooropstaan die wij in het westen opnieuw niet prettig vinden? Hun keuze vandaag de dag, die overigens helemaal in lijn ligt met de aloude Joegoslavische politiek van ongebondenheid – nu eens flirten met Europa, dan weer met Rusland - neemt de EU hen niet in dank af, omdat deze afrekent met de idee dat heel het voormalige Oost-Europa staat te dringen aan de Europese kassa. Ook bij de Europese roeping van Servië, tenminste dat dichten wij het land toe, kan men vraagtekens plaatsen. Ik ben zelf een fervent pro-Europeaan, maar geloof dat er vele mogelijkheden zijn om een duurzame relatie met de EU uit te bouwen, zonder daarom volwaardig lidmaatschap als het nec plus ultra te moeten najagen.
Onderhandelde oplossingen
Sinds 2004, toen het duidelijk werd dat de Verenigde Staten keihard zouden aansturen op een onafhankelijk Kosovo, heeft niemand zich onverdroten ingezet voor een onderhandelde uitweg uit de impasse tussen Servië en Kosovo. Raadplegingen, dat is op zijn best wat je de inspanningen van Ahtisaari kunt noemen. Op basis van consultaties met de ene partij en met de andere partij heeft hij als een goede dokter zijn diagnose gesteld en het Ahtisaari-plan als medicijn voorgeschreven. Tijdens de onderhandelingen heeft men – voor de schone schijn de Serviërs zelfs even uitgenodigd voor échte onderhandelingen, in de hoop dat de Serviërs hierdoor zo van de kook zouden zijn dat ze meteen weer boos zouden weglopen, waarna de ‘onderhandelingen’ meteen konden worden afgerond en alle schuld opnieuw op de verliezer kon worden geschoven.
Is het Ahtisaari-plan een slecht plan? Nee, alleen is het waardeloos omdat de bewoners van het huis het plan niet hebben goedgekeurd. Zou u een architect een huis voor u laten bouwen , terwijl u de plannen niet goedkeurt? Er zijn dus betere oplossingen, onderhandelingen bijvoorbeeld, doorgedreven onderhandelingen, onvoorwaardelijk, die zelfs even kunnen aanslepen – langer in ieder geval dan de paar schamele maanden die men er nu eind 2007 tegen aan wenste te gooien. Uit gesprekken die ik zelf had met leden van de Servische regering bleek duidelijk dat er bereidheid was om over een deal te onderhandelen, waarbij men enerzijds een Albanese onafhankelijke regio creëert en anderzijds de Servische belangen veiligstelt. Een scheiding die in grote lijnen gebaseerd zou zijn op etnische grenzen, zoals dat in de Balkan ook al even de gewoonte is. In naam van het multi-etnisch ideaal was dit voor de EU niet aanvaardbaar. En toch, we raken we hier de kern van het probleem in de Balkan, namelijk de discussie over de plaats die we willen voorbehouden aan de etnische Serviërs en aan de etnische Albanezen. In 1944 loste Tito dit op door zijn groot multi-etnisch Joegoslavië op te zetten. Alle Serviërs leefden hierdoor plots in hetzelfde land, net zoals alle Albanezen (met uitzondering van die in Albanië en verder zuidwaarts in Griekenland) in de regio automatisch in één enkel land leefden. Het is een probleem dat niet door de EU, noch door andere internationale spelers kan worden opgelost. De bewoners van de regio hebben zelf de sleutels in handen. Het vergt wel de inzet van moedige en creatieve invloedrijke geesten in de hele regio, om de handen in elkaar te slaan en een gezamenlijk project voor de toekomst uit te tekenen. Een toekomst waarvan de EU ongetwijfeld deel kan zijn, maar dient zich daarin niet op te dringen.
Of het ooit zover komt is lang niet zeker. Afgelopen week stapte de Albanese partij DPA uit de regering in Macedonië. Is dit de door vele analisten gevreesde opstap naar een nieuw conflict in dit deel van de wereld, waarbij de etnische Albanezen het Ohrid-akkoord over het hek gooien en ook de onafhankelijkheid opeisen? Om zo de droom van het groter Albanië, kortstondig gerealiseerd door de Italianen tijdens de Tweede Wereldoorlog, dichterbij te brengen? Wanneer het van de taxichauffeur afhangt die mij enkele weken geleden van de hoofdstad Pristina naar de luchthaven voerde, alvast wel: “wij zijn onafhankelijk, nu gaan wij onze broeders bevrijden.” Op mijn vraag “welke broeders?”, antwoordde hij eenvoudigweg: “die in Macedonië, Zuid-Servië, en Montenegro”. Ik voelde een rilling over mijn rug lopen in het besef dat het conflict hier nog lang niet voorbij is.
Peter Vanhoutte
19 maart 2008